Beekvliet was breuklijn én brug voor Jos van Gennip
Ieder jaar als ik me die datum bij het ontwaken bewust word, bekruipt me een onbestemd gevoel. Al tweeënzeventig jaar lang. Op die dag, in 1951, werd door ‘de meid’ en mijn moeder mijn koffer ingepakt en werd ik door mijn vader achterop zijn motor naar Son gebracht, zo'n vijf kilometer van onze boerderij. Bij Hotel De Zwaan daar stopte de bus en bracht me, voor deze ene keer mét onze vader, in zo'n half uur naar Sint-Michielsgestel, naar het kleinseminarie Beekvliet.

Jos van Gennip
Met twaalf jaar oud verliet ik alles wat me dierbaar was, als enig kind van mijn vader en mijn moeder. Ik zou ze tussen die 31e augustus en bijna vier maanden later maar één enkele keer nog zien, toen ze overkwamen naar Sint-Michielsgestel bij het eens in die periode toegestane bezoek, anderhalf uur in Café De Drie Zwaantjes. Ik kreeg er een beker chocolademelk.
Niet alleen mijn vader en moeder miste ik al vanaf die eerste dag, maar ook de hele leefomgeving, de boerderij waarop ik was opgegroeid, de kalfjes waarmee ik speelde, mijn duifjes, die ik geleerd had uit mijn mond te eten op de hooizolder, en daar kon ik me ook met mijn boeken verbergen, en het hondje Polly, vooral Polly. Nog steeds staat er op mijn schouw een foto van ‘het hundje’ en mij. Hij ligt op de tafel, waarop ook de krant op ligt, die ik met zoveel belangstelling altijd al las.
Iemand anders geworden
Als ik daags voor Kerstmis terug mag komen voor twee weken vakantie, dan is alles anders geworden. De duiven kennen me niet meer en de kalfjes zijn zoveel groter geworden, geen speelkameraadjes meer, de poezen lijken verwilderd en alleen Polly kent me nog, en natuurlijk de meid en de knechten en vader en moeder. En ken ik mezelf nog wel? Dat is de vraag, want in die vier maanden tijd ben ik een ander mensje, mens geworden. Met het losscheuren uit de vertrouwde omgeving, uit die leefwereld die ik zelf voor mij en rond mij had opgebouwd was ik ook een stuk van mezelf kwijtgeraakt. Ik was eigenlijk iemand anders geworden; 31 augustus 1951 werd de eerste grote breuklijn in mijn leven. En de herinnering van het afscheid van het vertrouwde en dat wat me tot dan toe gevormd had zou altijd aan die datum blijven kleven.
Voorgesorteerd
Het was ook eigenlijk een jaar te vroeg dat ik op het kleinseminarie belandde. De meeste andere jongens uit de dorpen van de Meierij werden thuis op de lagere school nog met een zevende leerjaar bijgespijkerd als ze door moesten naar een middelbare opleiding. Sommigen werden ook voor dat voorbereidende jaar naar een andere kostschool gestuurd, de Ruwenberg, ook in Sint-Michielsgestel. En bijspijkeren was nodig want de kloof tussen de kennis van de lagere school in de dorpen en wat nodig was om met succes het toelatingsexamen voor Beekvliet te halen was dikwijls veel te groot. Maar dankzij het hoofd van onze lagere school, de roemruchte meester Van der Schoor, kon ik dat extra jaar overslaan. De grote toestroom van leerlingen had hem al genoodzaakt om voor de vijfde en zesde klassen een tweede lijn in te zetten waarmee hij ons al een beetje voorsorteerde. De jongens van wie hij dacht dat ze wel door zouden leren scheidde hij van hen van wie hij dacht dat ze boer of arbeider zouden gaan worden. Zo voerde hij bijna ongemerkt een bepaald soort specialisatie én separatie door. Dat was mijn geluk.
Ambitie en godsvrucht
Maar waarom zou ik als enige erfgenaam van een behoorlijke boerderij toch doorleren? Het was mijn vaders grootste wens om een opvolger te krijgen. Maar ons moeder had andere ambities. Jos moest pastoor worden, een functie met nog meer aanzien dan die van de burgemeester. Maar dat was het niet alleen.
Ambitie, zeker, maar het was ook diepe godsvrucht. En zij was niet de enige. Vanuit mijn klas en andere klassen boven en onder mij gingen er tien, twintig kinderen naar kostscholen. Meestal naar de opleidingen van paters, om dat zelf te worden, missionaris overzee of zielzorger hier, en ook wel om gewoon door te leren. Tien tot twintig van één lagere school uit een niet al te groot dorp in Brabant.
Kinderen van middenstanders en ‘hoger’ gingen dan meestal naar dat Beekvliet; die uit boeren- en arbeidersstanden kregen kansen op de scholen van de paters scheutisten, de kapucijnen, de Witte Paters, enzovoort. Het leergeld en het kostgeld op al die nog niet erkende middelbare opleidingen was aanzienlijk, maar voor wie naar de paters wilde werd meestal wel een oplossing gevonden.
Waarom ik als boerenjongen toch naar de opleiding van de ‘heren’ geestelijken ging en niet naar de paters had dus ook te maken met de financiële mogelijkheden thuis en ook duidelijk weer met de ambities van ons moeder.

Kleine Jos toen hij nog kleuter was
Roeping?
Ja, ik had roeping. Ik had ‘de Stem’ gehoord. Dat begrip 'roeping' bleek voor velen nogal diffuus te zijn. Het was in feite een mengeling van religieuze motieven en een drive om door te leren. En dan waren er, met uitzondering van de omweg van een onderwijzersopleiding, maar heel weinig andere mogelijkheden. Bij mij speelde, eerlijk gezegd, ook wel een zekere afkeer van het harde boerenleven met zijn handenarbeid en zijn in weer en wind altijd moeten klaarstaan. Wie zal het ontwarren in de hoofdjes van tien- tot dertienjarigen? De twijfel sloeg bij mij al toe in die eerste weken op de kostschool. 's Nachts in de kleine chambrette tegen de muur, aan weerskanten afgesloten met dunne triplexplaten en aan de voorkant met een hagelwit mooi gestreken gordijn. Ik wilde naar huis, terug naar wat me vertrouwd was.
Gevonden evenwicht
Maar tegen het gemis in groeiden toch ook de voordelen van het kunnen doorleren. Belichaamd ook in het engagement en de kunde van zoveel geweldige docenten. En die mij in verhoudingsgewijs korte tijd heel veel kennis bijbrachten. Kennis die me in de regel ook heel erg boeide, binnen de officiële lesuren en daarbuiten.
Vooral daarbuiten vond ik geleidelijk een beetje vrede en evenwicht. In de heemkundeoriëntaties van de beroemde drs. Willy Knippenberg, en in het ons laten kennismaken met de pracht van de natuur, flora en fauna. Dáár lagen mijn interesses en veel minder of niet in de sport die op ons Beekvliet op vele manieren beoefend werd. En ook het pianospelen – ik moest, mocht van mijn moeder die lessen volgen – was niet mijn kwaliteit. Geschiedenis, kennis van de natuur, en zelf zaken organiseren, dat was, zeggen ze tegenwoordig, ‘mijn ding’. Ook heb ik nooit een hekel gehad aan die vele, vele uren in de kapel, dat pas vernieuwde en door de zusters zo goed bijgehouden kerkgebouw. Als ik er jaren later nog eens terugkom, dan komen met de geur van boenwas alle herinneringen weer terug: dat prachtige gregoriaans, de tot in de puntjes verzorgde liturgie, de preken van priester-docent Witlox.

Floris van der Putt
En wie op zijn dertiende of veertiende de lamentaties in de Goede Week heeft gehoord zoals die gezongen werden door de eminente musicoloog en componist Floris van der Putt, kreeg een ervaring mee, die hij zijn leven lang niet meer zou kwijtraken.
De degelijkheid van het onderwijs, Bildung veel meer dan Unterricht, het vaste ritme van de dagen met zijn uitgekiende tijden voor alles, lessen, zelfstudie, proefwerken, gebed en recreatie: het bracht een evenwicht en een afwisseling die mijn rugzak van rijke inhoud voorzag, proviand die ik tot op de dag van vandaag nog mag gebruiken.
Geen politiek!
Er was één hobby, één interesseveld dat te weinig aan bod kon komen: de politiek. Zo waren er geen kranten voorhanden. Mondjesmaat kwam er wel wat nieuws binnen, terwijl er zo ongelooflijk veel nieuws was in de jaren van '51 tot '54. De Koude Oorlog met zijn toen steeds dreigende communistische machtsgrepen in Italië of Frankrijk, die neergeslagen opstand in Oost-Berlijn, de Slag bij Diên Biên Phu in Vietnam, waarover zelfs meneer Witlox preekte, en niet te vergeten de Watersnood die we wel iedere dag via korte radioberichten mochten volgen.
En dan was er ook nog het Mandement van de bisschoppen, dat iedere discussie over alternatieve politieke keuzes dan de Katholieke Volkspartij wilde smoren. Het was voor ons onverteerbaar dat we van dat alles niet méér mochten weten, te weten konden komen, dan via de koppen in de krant die de surveillant wél las.
Met een paar geestverwanten – een enkeling is tot op de dag van vandaag vriend gebleven – organiseerden we protest en verzoek om wel die toegang tot het gedrukte nieuws te krijgen. Schoorvoetend werd daar in de tweede klas, de Grote Cour, aan toegegeven. Het was waarschijnlijk de klassensurveillant, de zo meevoelende Jan Bluyssen, de latere bisschop van Den Bosch, die hierin bemiddelde. Bluyssen wilde nog meer, en vooral een andere inrichting van het sportgebeuren en het geslenter op de speelplaats. Maar dat groepje krantenlezers wilde daar niet aan en verzette zich, tot zijn groot verdriet en frustratie. Het was een echte jeugdzonde van mijn kant. Ik werd bij de regent geroepen, de strenge Dr. Bannenberg, Mgr. Dr. beter gezegd. Hij had in het Brabantse een groot gezag opgebouwd als geestelijk adviseur bij het herstel van het gezag en de wederopbouw in het najaar van 1944.
Uit het gesprek met de regent bleek al dat hij goed op de hoogte was van wat er in mijn klas speelde, met klikverhalen en al. Er werd over mij geklaagd. En er werd getwijfeld aan ‘mijn roeping’. In de herfst van 1954 barstte de bom. Ik kreeg te horen dat het duidelijk was dat het priesterschap voor mij niet was weggelegd…

Uitschrijving uit Beekvliet in de herfstvakantie van 1954
Studium vale dixit feriis autumnalibus: hij heeft de studie vaarwel gezegd in de herfstvakantie 1954. Het aantreffen van deze uitschrijving van Jos van Gennip in het leerlingenarchief leidde tot contact van Peter van Overbruggen met deze oud-leerling, ook oud-dorpsgenoot uit Nuenen.
Een nieuwe breuklijn
Nu was ik zelf ook al tot die conclusie gekomen, maar die vorming, die hobby's, die vriendschappen schatte ik hoger in en had graag wat langer daarvoor op het seminarie willen blijven. Maar er was geen plaats meer voor mij. Regent Bannenberg nam de auto en bracht mijn ouders die conclusie. Jaren later mag ik als directeur van de nationale katholieke missie- en ontwikkelingsorganisatie bisschop Bluyssen ontvangen in Den Haag. Ik had een bijzonder creatieve en plezierige samenwerking met hem opgebouwd voor een nieuwe aanpak van de zorg voor de toen nog 9000 missionarissen. In zijn toespraak refereerde hij in bedekte termen aan die herfst van 1954. En hij sprak in termen van voortijdige beslissingen, die ‘nu anders zouden zijn uitgevallen’.
Bij mijn terugkeer thuis braken spannende weken aan. De paters kapucijnen in Helmond boden me aan, ja presten me als het ware, om mijn studies voort te zetten op hun gymnasium in Oosterhout. Maar de augustijnen in Eindhoven hadden een andere oplossing. Waarom niet gewoon van huis uit iedere dag met het fietsje naar het Augustinianum, hun prachtige school aan de Kanaalstraat, een uitstekende, wel officieel erkende onderwijsinstelling op zo'n 6 km afstand. Een nieuwe breuklijn in mijn leven ging zich aftekenen.
Zij maakten Brabant groot
In het Park in Nuenen, midden in het dorp, staat een monument. Tientallen fragiele dunne buizen schragen een zwaar gesteente. De symboliek is treffend. Het is een ode, een eerbetoon aan die duizenden broeders, zusters, paters die meer dan honderd jaar lang een onvervangbare bijdrage hebben geleverd aan de emancipatie, welzijn en zelfs welvaart van de Brabantse bevolking. ‘Zij maakten Brabant groot’, staat op de sokkel. Terecht. Ook ik onderschrijf die ode. Van een pater Van den Elsen die de boeren zo organiseerde en stimuleerde dat ze hun bedrijf konden houden en moderniseren; van de zusters J.M.J. die in het kleine nieuwe ziekenhuisje in ons dorp mij anderhalf jaar lang in mijn eerste twee levensjaren letterlijk in leven hebben gehouden; en later die augustijnen op wier school ik die unieke vorming kreeg in met name geschiedenis, literatuur en taal. Maar die spijlen in dat monument, daar zouden er nog wel een paar van bij mogen, want naast die religieuzen was het ook menig docent op Beekvliet waaraan ik tot op de dag van vandaag veel aan te danken heb. In mijn latere leven zal ik die religieuzen en die kerk nog heel veel tegenkomen.

Jos van Gennip met zijn hondje Polly
En vooral die algemene en die bijzondere verwijten. Algemene, zoals de mythe van die Tilburgse fabrikant in gesprek met de pastoor-deken: "Hou jij ze maar dom, dan hou ik ze wel arm". En dan al die verhalen, in romanvorm of niet, over een bewind van terreur, zo niet erger, dat de leerlingen op de katholieke kostscholen kon terroriseren.
In het Katholiek Documentatiecentrum in Nijmegen, waarvoor ik jarenlang een besturende functie mocht uitoefenen, staan meters geschiedenissen van het tegendeel. Eind 19e eeuw waren de katholieke meisjes bijvoorbeeld de best gevormde categorie onder hun soortgenoten; en toen publieke ambten opengingen voor katholieken, stonden er onmiddellijk duizenden goed opgeleide jongemannen klaar om hoge en verantwoordelijke functies te gaan bekleden.
Zeker, er is veel gebeurd wat niet had mogen gebeuren en soms onvoorstelbaar is. Maar Beekvliet heeft mij geleid en gevormd en ook opgevangen, en ik zal zeker niet de gemakkelijkste zijn geweest. Maar het was een internaat dat in de kern oergezond was.

Het oude Augustinianum aan de Kanaalstraat te Eindhoven
Er hebben zich sinds die 31e augustus 1951 en die tweede in de herfst van 1954 nog veel meer breuklijnen in mijn leven afgetekend.
Toen ik bijvoorbeeld de overstap maakte van de leiding van een ontwikkelingsorganisatie naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken werd een afscheidscabaret opgevoerd onder de titel ‘Van klomp tot lakschoen’.
Hoe scherp kan een breuk in iemands leven gesymboliseerd worden! En toch was die eerste reis van Nuenen naar Sint-Michielsgestel een nog diepere kloof. Maar dankzij Beekvliet werd daar een brug over gelegd, waarvoor ik nog altijd in erkentelijkheid het hoofd buig.
In het indrukwekkende cv van mr. J.J.A.M. van Gennip vallen enkele zaken op. Van 1984 tot 1990 was hij plv. Directeur-Generaal Interna- tionale Samenwerking, Ministerie van Buitenlandse Zaken (ontwikkelingssamenwerking), van 1990 tot 1999 Directeur Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. Van 1991 tot 2007 lid Eerste Kamer der Staten-Generaal, Voorzitter Vaste Kamer Commissie voor Buitenlandse Zaken, woordvoerder Landbouw, Voorzitter en Rapporteur Economische Commissie Nato Parlement en Voorzitter Nederlandse Delegatie naar het Nato Parlement. Voormalig minister Karien van Gennip is zijn dochter.
Dit artikel is geschreven door Jos van Gennip en verschenen in de januari uitgave 2024 van Tempora Nostra, de naam van het tijdschrift van oud-leerlingen van het Gymnasium Beekvliet.
Op 3 december 2025 verscheen een interview met Jos van Gennip in het Eindhovens Dagblad. Dat interview kunt u hier nalezen.
In het decembernummer 2025 van Zó Nuenen op bladzijde 8-9 staat ook een interview met Jos van Gennip naar aanleiding van de presentatie van het boek "Omzien met Jos van Gennip" door Aukje van Roessel. Dit interview kunt u hier nalezen.